48 EEN BLOEMETJESGORDIJN

 

bloemetjesgordijn

We woonden in een pension aan de Verspronckweg. Het was begin 1980 en ik was 6 jaar. Dat weet ik, omdat ik naar het lievelingsliedje van mijn broer lag te luisteren in de huiskamer. Het was de karnavalskraker: Een bloemetjes gordijn:

https://www.youtube.com/watch?v=XFJKtHuQKwI

(Misschien wel leuk om het liedje even op te zetten, voordat je verder leest?)

Ik herinner mij nog dat ik de stofdeeltjes zo prachtig zag dwarrelen in het licht dat de kamer binnen straalde. Dat was mijn hele eigen bloemetjes gordijn van zon. Ik lag heerlijk wat te mijmeren blijkbaar.

Terwijl ik hier zo lag, zag ik mijn moeder druk in de weer bij de keukenkastjes. Wat was ze daar aan het doen?

Ze legde het me uit: Ze was met doorzichtig plakband haar hoofdharen op de deurtjes aan het plakken. Het was hierbij zeer belangrijk dat je van dat doffe tape nam en zeker niet het glimmende, want dat zou te veel opvallen. Eerst trok je een lange haar uit je hoofd, die plakte ja dan aan de zijkant van het kastje vast. Dan pakte je nog een heel klein stukje plakband, waarmee je de andere kant van de haar vervolgens strak gespannen langs de opening van het deurtje, op de voorkant bevestigde. En dat met alle keukenkastjes en alle andere klepjes of deurtjes die nodig waren. Zo. Klaar!

Waarom eigenlijk?

Het zou een valstrik zijn voor de gemene huisbaas die wij hadden. Die nare man, die volgens haar in onze spullen zat te rommelen als wij niet thuis waren. Als hij nu weer ergens met zijn tengels aan zou zitten, dan kon je dat zien, omdat de haren dan gebroken zouden zijn. Hiermee zou ze hem op zijn wandaden gaan betrappen.

Ik vond het een super goeie truc! Ik begon zelf ook dingen te bedenken die open of losgemaakt zouden kunnen worden. Dat is best veel trouwens. Daar had ik nog niet eerder bij stil gestaan! Maar niet alles kon met plakband, vanwege een stoffen oppervlak of niet plakkende ondergrond.  Kastjes, laden, broodtrommel, deuren, lichtknopjes? Schoenen? (maar die paste hij toch niet) portemonnee? Boeken?

Ik werd me hierdoor bewust, waar deze inmiddels enge man, allemaal wel niet in zou kunnen gaan zitten neuzen als hij stiekem bij ons binnenkwam. Maar waar en wanneer kwam hij dan? O ja, dat gingen we juist onderzoeken door het aanleggen van deze hinderlaag…

Maar wat nou, als dat midden in de nacht zou zijn, als iedereen lag te slapen? Wij hadden wel een huis-bazen-val op scherp gezet, maar een hoofdhaar hoor je natuurlijk helemaal niet knappen, als deze ‘knap’ zegt. Er gaan geen sirenes af, of bellen rinkelen, als deze insluiper vannacht mijn deur stilletjes opendoet…

Nu durfde ik eigenlijk helemaal niet meer te slapen. Ik was dan ook uitermate blij en opgelucht, toen wij weer gingen verhuizen!

Ik was een bang kind.

Maar ik vind het nog altijd een sublieme truc.

Elke keer als ik nu langs de Verspronckweg kom, weerklinkt in mijn hoofd een dweilorkest en schal ik mee, uit volle borst:

WEET JE WAT IK WEL ZOU WILLEN ZIJN?

EEN BLOEMETJES GORDIJN

EEN BLOEMETJES GORDIJN

VANAF HET BALKON TOT AAN HET RAAMKOZIJN

EEN BLOEMETJES GORDIJN!

47 EEN ZWAARD VAN DAMOCLES

cel

Mijn moeder was naast chronisch grillig hyper-de-piep-depressief (om het maar even een naam te geven vanuit de losse pols) zeker ook avontuurlijk ingesteld. Ze heeft een hoop stoere dingen gedaan en spannende momenten beleefd. Ik was als kind echter niet altijd opgewassen tegen de gevolgen van haar meestal onverwachte uitspattingen. Ik denk met name vanwege het grillige karakter. Ik heb in mijn beleving een groot deel van mijn kindertijd met een zwaard van Damocles boven mijn hoofd door de straten van Haarlem gefietst.

…Aan het einde van de schooldag stond er een vrouw op mij te wachten op de gang. Ze kwam mij en mijn broer ophalen van school zei juffie. Ons? Ophalen van school? Waarom dat ineens? Ik liep zwijgend met haar mee naar mijn fiets. Daar stond mijn broer al te wachten geloof ik. Toen we op de fiets stapten en vroegen waarom ze ons op kwam halen, zei ze, dat mijn moeder niet thuis was, omdat ze in de gevangenis zat.

WAT?

Waarschijnlijk was deze vrouw zelf geen moeder, want het lijkt mij didactisch nogal cru om dit aan jonge kinderen zo recht voor z’n raap mede te delen. Any way… De rest van de rit naar huis was ik volkomen in een andere wereld. Mijn moeder zat in de gevangenis…

GE-VA-NGE-NIS…

Vanaf dit moment greep mijn verbeelding mij in de kraag, en weg was ik. De wereld om mij heen leek wel een vissenkom, waarin ik rondjes zwom naar huis. Dit woord riep zo veel bij mij op, dat ik het eigenlijk niet kon bevatten. Maar ik deed mijn uiterste best. In de gevangenis zaten boeven, dieven, misdadigers en moordenaars. Was mijn moeder dat dan ook? Dat kon toch niet waar zijn? Ik voelde mij totaal gedesoriënteerd. Ik probeerde door de ogen van de passanten te kijken, om zo te zien hoe een dochter van een gevangene eruit zag… Dat zou ík dan zijn… En waar moesten mijn broer en ik dan gaan wonen? Mocht mijn poes daar wel mee? Kon ik wel op school blijven? Vonden anderen mij dan nog wel aardig? Of was ik dan ook te gevaarlijk geworden om mee te praten? En hoe lang zou ze daar dan blijven? Ik werd volkomen overrompeld en in beslag genomen door de nieuwe rol die mij zojuist even tussen neus en lippen door was toebedeeld. Mijn fantasie ging volkomen aan de haal met de enorme hoeveelheid aan beelden en gedachtegangen, die dit ene woord bij mij had opgeroepen: G.E.V.A.N.G.E.N.I.S.

Toen we thuis kwamen, begon deze vrouw iets uit te leggen over de vorige avond. Mijn moeder was met een groep mensen een huis binnen gegaan, maar toen waren ze opgepakt door de politie. Ik begreep er niks van! Was mijn moeder een inbreker soms? Of wilde ze het huis stelen? De rest van de dag heb ik een beetje doelloos rondgelopen in huis geloof ik. Eigenlijk weet ik het niet meer zo goed. Hoe lang zou dit geduurd hebben? Ook geen idee of die vrouw nog aanwezig was of niet. Was blijkbaar niet belangrijk. Ik was een soort van in shock. En nu? Hoe moest dat dan verder? Mijn hoofd draaide allerlei ramp scenario’s af. Echt. Drama puur sang. Charles Dickens was er niks bij! Vreemd genoeg herinner ik mij ook nog een gevoel van status, bij al deze gedachten. Het zou mij ergens ook wel weer bijzonder maken, als kind van een misdadigster. Terwijl het drama zich tot een hoogtepunt werkte in mijn fantasie, kroop de tijd als een uitgeputte slak voorbij.

Toen mijn moeder weer thuis was, legde ze haar avonturen uit. Ze hadden geprobeerd om een huis te kraken, om in te kunnen wonen. Er was geloof ik iemand uit de groep geweest die ze verlinkt had, of niet op tijd had ingeseind dat de politie er aankwam ofzo… De hele toedracht kon me in feite gestolen worden. Ze was weer thuis. Het doek van mijn interne melodramatische toneelstukken en overtuigend ingeleefde rolvertolkingen kon weer zakken gelukkig. PPPFFF, hèhè, even rust…

Later gebeurde dit nog een keer. Toen was ze weggesleept met haar woonboot geloof ik. Ik weet het niet meer precies. Deze verhalen hebben blijkbaar vlak naast elkaar in mijn interne archiefkast, of in dezelfde kaartenbak gezeten en zijn misschien na al die jaren wat aan elkaar gaan plakken…

In ieder geval weet ik nog, dat ze toen langer in de cel moesten blijven, omdat haar toenmalige vriend, uit protest, al het teer van zijn overall en ik geloof ook zelfs zijn poep aan de muren van de celwand had staan smeren.

Het zou best mooi geweest zijn als het kraken gelukt was. Dan hadden we waarschijnlijk een prachtig huis gehad, waarin we jaren rustig gewoond hadden kunnen hebben misschien. Achteraf gezien vind ik het ook best stoer van mijn moeder dat ze op deze manier probeerde om haar levensgeluk te vergroten.

Voor mij als kind heeft het wel voor een hoop slapeloze nachten en veel stress gezorgd. Ik ben nog tot lang daarna sluimerend bang geweest dat ze voor goed opgesloten zou worden. Ook dit verhaal is bij mij in een geheim laatje gegaan. Niet omdat dat van mijn moeder moest, maar omdat ik me ervoor schaamde. Ik voelde mij er zeer ongemakkelijk bij. Ik wist toen ook niet echt zeker of het nou goed off slecht was wat ze had gedaan. Als het niet mag van de politie dan is het toch slecht? En als je dan stront aan de muren gaat smeren, waardoor je nog langer moet blijven… is dat dan echt wel grappig of stoer, zoals jullie het vertellen? Het heeft mij als kind in de war gebracht. Mijn perceptie van goed en fout lag even volledig overhoop.

Met deze wetenschap, en de erkenning dat ik evengoed een huis gekraakt had kunnen hebben, denk ik toch dat ik mijn eigen kinderen de waarheid zou besparen tot later, en met een soepel leugentje voor eigen bestwil de tijd zou rondbreien tot ik weer veilig thuis was!

 

46 EMPTY WALLS

empty walls

Ik ben als kind vaak verhuisd. Tijdens mijn studie Haptonomie heb ik ooit eens moeten uit vogelen hoe dit is verlopen tot mijn 22ste levensjaar. Hier een globaal overzicht. Op mijn 7e – 7x, op mijn 15e – 12x en op mijn 23ste –  23x. Tot hier heb ik het in kaart gebracht, want vanaf deze leeftijd werd het wat rustiger. Er zijn tijden geweest, dat ik verslingerd was aan verhuizen. Het gaf mij een prettig gevoel. Vaak moest ik gewoonweg mijn huisje uit, maar ook, als ik langer dan een tijdje op een zelfde plek zat, dan begon het weer te jeuken. Verhuizen heeft voor mij altijd iets van ‘nieuwe rondes, nieuwe kansen’ gehad. Het fluisterde mij nog niet eerder gehoorde beloftes toe en schepte steeds nieuwe hoop voor de onbekende toekomst. Of was ik misschien ook ergens voor op de vlucht? Hoogstens voor de angstige of onprettige gevoelens die ik overhield aan ervaringen die ik onderweg had opgedaan, terwijl ik ergens woonde. Ook gaat het op een dieper niveau over een nog niet  willen landen, een niet kunnen wortelen; mijn eigen plekje niet kunnen bezetten. Zo’n hond, die maar rondjes blijft drentelen in zijn mand, omdat ie de juiste draai steeds niet lijkt te vinden…

Ik hang mijn herinneringen vaak op aan de plaats en het huis waar ik op dat moment woonde. Deze tijdslijn was een enorme rommel geworden in mijn hoofd, waardoor ik ook de ervaringen hieraan gekoppeld niet meer kon plaatsen, clusteren of ordenen. Door deze chronologie weer in kaart te brengen, kon ik ook bepaalde ervaringen weer juist in de tijd en binnen de context zetten en ontstond er een soort van verband tussen de dingen die ik daarvoor niet meer kon overzien. Laat staan een plekje kon geven voor mezelf. Deze helderheid schepte orde en rust in de chaos.

Ik heb een liedje geschreven over de verhalen en de herinneringen die voor mij aan bepaalde plekken en huizen hangen. Nare gevoelens wilde ik het liefste daar achterlaten, omdat ze anders als vervelende spoken in mijn hoofd, pakken vol last meezeulden naar mijn volgende ‘beloofde land’:

EMPTY WALLS

one last good-beye, then carry on
to start anew what ones begun
lost places left behind
silently waiting for the new to arise

close the door and throw the key
swallow pride and oversee
my fortune lies ahead and calls
to cast away them old brick walls

to higher grounds, erase what was done
don’t want to drag the weight along

I’ll rest my legs and ease their pain
never to look back again

 

one last good-beye, then carry on

to start anew what we ones begun

lost places left behind

silently waiting for the new to arise

 

Voices scattering my mind
they travel all the way along
a fusion in collor, a shot and a holler
they’re never to be gone

 

they ‘ll stick around
as I turn side
they hold and bound
nowhere to hide

 

please please, empty wall
give shelter to my grieves
cherish what I don’t need to recall
just keep them close as I leave

 

 

Je kan het hier ook beluisteran als je wilt:

45 SPACING OUT ON GOOGLE EARTH

verslaafd aan mobiel

AFWEZIGE PRESENTIE

Ik zie nu in, dat grote mensen, waaronder ikzelf, vaak haast hebben of gestresseerd zijn en daardoor geen ruimte zien om op de flow van hun kind mee te bewegen. Ik herken dat erg goed bij mijn eigen kinderen. Omdat ik, met mijn volwassen schema’s en doelen, steeds een stapje op de tijd probeer in te lopen, heb ik soms niet eens ruimte om bijvoorbeeld 5 minuutjes langer op een speelpleintje te blijven, omdat de glijbaan daar schijnbaar zo tof is. In mijn hoofd draait dan mijn ZOGENAAMDE uitgestippelde programma in de soep. Mijn kinderen hebben daar natuurlijk helemaal geen boodschap aan, want die gaan volkomen op, in hun eigen spel en avontuur. En ik ben voortdurend aan het her calculeren, of alles nog wel chronologisch in mijn tijdsbalk past. Míjn tijdsbalk, he… die van MIJ.

 

ZELFS ALS IK GEEN REET TE DOEN HEB

 

Soms moet je inderdaad echt ergens een punt aan draaien, omdat bijvoorbeeld de school begint, de tandarts op je rekent, of de hartige taart anders grandioos aanbrandt. Maar meestal is er eigenlijk helemaal geen prangende externe factor, die bepaalt dat het spel over moet zijn.

Als ik eerlijk naar mezelf kijk, heb ik negen van de tien keer gewoon GEEN ZIN. Waarom eigenlijk niet? Omdat ik met mijn hoofd al door ben naar het ‘GROTEN-MENSEN’ volgende. Ik heb me laten opjagen door alles wat ik ZOGENAAMD wil of moet, of zit te tobben over alles waar ik tegen aan hik..
Ik heb daarom steeds net effe geen tijd te verliezen, want ik moet immers voortdurend maar door, naar steeds weer een ander, ZOGENAAMD zeer dringend te behalen of uit te stellen doel. Van wie eigenlijk? En welk werkelijk doel? In feite verzin ik aan de lopende band (kut)smoesjes en (laffe)leugentjes voor eigen bestwil. Ik loop daarmee niet lijfelijk weg, maar intern piep ik er steeds tussenuit:

 

‘Mama moet nu écht even werken’ ‘Mama heeft last van haar arm’ ‘Mama moet werkelijk zéér dringend gaan koken’ ‘Mama moet hóóg nodig even afwassen’ ‘Mama moet even een ontzéttend belangrijk telefoontje plegen’ ‘Mama moet echt pérsé elke drie minuten haar Facebook op ‘likes’ controleren’ ‘Mama moet echt héél, héél nodig poepen’ ‘Mama gaat hoor, ANDERS ZIJN DE WINKELS DICHT!’

 

JA-JA…

SMOESJES

 

‘Mama is veranderd in een taaie dorre tak’ ’Mama is voortdurend tijdelijk onbeschikbaar en staat op ‘uit’’ ‘mama is verslaafd’  ‘Mama zit gevangen in haar eigen kop’ ‘Mama is een strebertje, omdat ze bang is voor afwijzing’ ‘Mama liegt aan de lopende band alsof het gedrukt staat’ ‘mama is totaal niet aanwezig in het moment’ ‘mama is een controle-freak’ ‘mama is vergeten te spelen in het leven’ ‘mama kan nog wel wat van haar eigen kinderen leren wat dat aangaat’ ‘waar wil mama nou eigenlijk steeds voor weg?’

 

Dit heeft daarnaast ook te maken met de intentie van het spel. Ergens heb ik er als volwassene misschien ooit van gemaakt, dat mee spelen betekent dat ik op infantiele wijze ook zandtaartjes moet gaan zitten bakken en preciés moet nabootsen wat mijn kinderen doen. Eigenlijk ben ik dan slechts aan het pantomimen dat ik speel. Ik veins ‘DE SPELENDE VROUW’ Je herkent het denk ik allemaal wel. Je voelt gewoon dat je iets zit te doen, waarvan je zelf denkt: ‘waar ben ik in Godsnaam mee bezig…hier is echt geen reet aan… zijn we al klaar?… hoe lang moet dit nog gaan duren…?’

 

Spelen is in feite een ongericht en doelloos rommelen. Puur op impuls en gevoel een beetje onderzoekend aanklooien met wat er op dat moment voor handen is. Iets bedenken en het vervolgens toch weer compleet anders doen. Of niet. Anderen noemen dit creativiteit. Hoe creatief ben ik eigenlijk nog en kan ik nog wel ‘nutteloos’ spelen? Of ben ik inmiddels echt volkomen slaaf geworden van de prestige en de agenda, omdat ik ergens aan dien te voldoen? Ik geloof dat ik een probleem heb…

 

OPLOSSING:

DE TAMAGOTCHI VOOR VOLWASSENEN!

 

Gelukkig is daar onze SMART-PHONE, waarop wij ons onbeschaamd en ongelimiteerd mogen botvieren. Waar bevinden we ons eigenlijk, terwijl we onze inkomende berichtjes checken? We zijn niet echt hier, maar ook niet echt daar… of zijn we zowel hier als daar? De afwezige aanwezigheid in het hier en nu viert hoogtij. The twilightzone die zich ciber-space noemt. Dé uitkomst om even niks te hoeven, terwijl je toch druk bent en productief bezig lijkt. De oplossing voor al uw zorgen en eenzaamheid. Our direct-acces to Utopia!  U vraagt, wij draaien! Alle kennis, leering ende vermeak binnen één handomdraai, in één oogwenk. Binnen no-time en 24/7  beschikbaar!

 

Herkenbaar?

 

Op stand-by position staan.

Niet ‘uit’ maar ook niet ‘aan’.

Niet echt hier, maar toch aanwezig

Wel aanwezig maar niet echt hier.

Gelegitimeerd roezen op Facebook

Stilletjes tussen de regels van de dagen door surfen

Je tijd uitzitten en inkakken op het wereldwijde web

Ergens in een ‘cloud’…

Cloud 7!

Spacing out on google earth!

 

De uitgekotste alcoholist van weleer is de volkomen geaccepteerde SMART-PHONE-JUNK van vandaag!

 

VERY CLEVER, VERY SMART…

Remote-controled Mind-control.

 

 

Tel uit je winst over een jaar of 20. Wat voorn effect zal dit hebben op onze kinderen, die het zonder onze presentie te stellen hadden? Of misschien hebben ze het niet eens in de gaten gehad, omdat ze zelf reeds te druk bezig waren met het behalen van hun volgende level…

 

En je-veet-tog:

Ik ben geen tegenstander of orthodoxe anti-strijder. ik neem enkel een tendens van oprukkende verslaving waar.

Pluk er vooral ook de voordelen van.

Niks tegen een verfrissend biertje in de zon, mét je Tamagotchi op schoot…

Geniet,

But MIND YOUR MIND YOURSÉLF

😉

44 MIJN-GANGEN-STELSELS

mijnwerker

Rood haar was niet hip en daarbij ook hazentanden hebben al helemaal niet.  En als je dan als meisje op je fiets langs de buitenspelende grote jongens moest fietsen, op weg van school naar huis; dan was je vaak de Sjaak.

We woonden op het Brouwersplein en ik zat in de tweede. Mijn broer had de opdracht gekregen om samen met mij naar school te fietsen, maar daar had hij duidelijk (en later begrijpelijk) geen zin in. Zodra we de hoek van het plein om waren, dan zette hij het op een trappen. Ik probeerde bij te benen, maar wist hem uiteindelijk met geen mogelijkheid nog in te halen. Dus fietste ik alleen naar school. Dat vond ik niet leuk, maar dat ging eigenlijk best. De weg naar huis gebeurde vaak het zelfde, maar nu werd het lastig. Ik moest namelijk door die straat waar de grote jongens vaak buiten speelden. Dat was NIET TOF. Het leek wel alsof ze me roken! Zelfs toen ik begon met omfietsen, of wachtte tot er een volwassene langs zij zou komen, zodat ik in zijn of haar slipstream aan die ene hoek voorbij kon sjezen, wisten ze mij meestal toch te vinden. Ze scholden me uit voor Rooie, konijn, vuurtoren, hazenlip en dat soort dingen. Mijn moeder leerde mij om ze van repliek te dienen en verzon listige antwoorden:

-‘Rooie, kan je ook op groen springen! ‘ (ik zou dan een blaadje van de heg plukken en daarop gaan staan springen)

-‘He, rooie vuurtoren!’ (ik zou dan zeggen: ‘o, gelukkig ben je niet kleurenblind’.)

Echt heel goed bedoeld, maar het werkte niet. Sterker nog; het was als olie op hun vuurtje. Nu begonnen ze me te duwen, of ze trokken me van mijn fiets af en renden daar mee weg. Vreemd genoeg was ik dan ineens niet meer bang. Ik rende als dappere krijger achter ze aan en eiste strijdlustig mijn fiets terug. Ik lustte ze op zo’n moment wel rauw! Dat hielp, want het lukte. Maar de angst om ze de volgende keer weer tegen te komen was nu alleen nog maar groter. Omdat ik opstandig en bijdehand was geweest, had ik ze pas echt boos gemaakt en uitgedaagd tot vergelding…

Dus elke keer als mijn broer het op een ontsnappen zette, bekroop mij het gevoel van angst voor wat er boven mijn hoofd zou hangen op de weg terug. Ik heb deze dingen in mijn hoofd onbewust aan elkaar gekoppeld.

Ik herinner mij nog dat ik jaren later, zo ergens rond mijn dertigste, samen met een clubje vrienden wekelijks in het bos ging rennen. Mijn toenmalige vriend was daar ook bij. Op een goed moment zegt een van de mannen, die in het kopgroepje holde: ‘Wij gaan ff lekker snel, we zien jullie wel weer ergens!’. En weg waren ze. Ik zie ook mijn vriend het op een draven zetten en ik krijg het gevoel alsof er iets uit mijn borst wordt gescheurd. Ik raak het peloton kwijt, ik blijf helemaal alleen achter, help!

En ik was niet alleen, want naast mij renden er nog een paar, maar ik voelde mij ineens volkomen in de steek gelaten. Ik raakte woest, bang en in paniek. Totaal buiten proporties en over the top. Toen ik mijn woedde naar hem uitte vond hij het onzin. Hij mocht toch wel even zijn eigen tempo? Daar had hij ook volkomen gelijk in inderdaad. Dat vond ik ook. Maar waarom dan zo plotseling die alles overheersende emoties?

De angst om in de steek gelaten te worden. Aan mijn lot over gelaten te worden, terwijl ik me er niet in m’n eentje tegenop gewassen voelde. Die was niet van nu, die was van toen!

Wanneer je dit kan herleiden naar waar het ontstond, of verder aangewakkerd is, dan kan je het ook weer gaan loskoppelen. Dat is naar mijn idee de meerwaarde van achterom kijken naar dingen die gebeurd zijn.  Precies daar, midden in het drama van het moment, ligt een doorgang verscholen naar een eerdere ervaring waarin het zeer deed, waar een kwetsuur was ontstaan.

Het heeft mij geholpen om hierin te delen met anderen, zodat ook zij het konden zien voor wat het was. Mijn vriend en ik konden zo langzaam oefenen. Hij kon weer vrijuit zijn eigen tempo hollen en ik hoefde niet meteen in een flip te schieten. Er ontstaat ook weer ruimte voor een knipoog en wat humor. Je kan weer gaan spelen, met iets dat je eng vindt. Het wordt werkbaar en kan zo transformeren.

Dit zegt natuurlijk niet dat de hele wereld rekening met jouw verleden moet en zal gaan houden. Wel zijn het mooie momenten om weer te gaan oefenen in (zelf)vertrouwen.

Op dit soort momenten krijg ik meestal iets giecheligs over me. Ik vind het eng en leuk tegelijk. Ik wil wel, maar ik durf misschien nog net niet, hihihi… Dit is een ‘rek zone’ denk ik. Waarin je je nog net niet oncomfortabel genoeg voelt om getriggerd te worden, maar ook weer net  niet helemaal gerustgesteld in je oude vertrouwde veilige hokje zit. Een grensgevalletje. Op het scherp van de snede.

Hé, maar zijn dat niet dezelfde ingrediënten die we opzoeken als we op AVONTUUR uit trekken? De draaimolen, de achtbaan, het parachutespringen, het abseilen, het geven van een lezing, het reizen naar een vreemd land…

Het overwinnen van (oude) angsten en het herschrijven van je eigen draaiboek.

Hier valt echt van alles en nog wat te halen wist ik nu.

Ik luister daarom niet enkel meer naar mijn oude verhalen om keer op keer te horen wat er gebeurd is, maar weet nu, dat er sleutelmomenten, kruipruimtes en geheime doorgangen verscholen liggen, tussen de regels van de verhalen door. Die wegen naar andere momenten openen, naar weer andere gangen, waar uiteindelijk lang verloren gewaande schatten, oneindig geduldig op mij liggen te wachten.

…Als mijnwerker graaf ik nu mijn gangen terug. Door de opeenstapeling van gebeurtenissen die achter mij liggen, leg ik verbindingswegen en kruispunten aan, plaats ik borden op rotondes met licht, stippel ik mijn stadsring uit, benoem ik mijn straten bij naam. Opdat ik niet keer op keer verdwaald en naarstig zoekend ronddool in reeds lang verlaten straten,  maar steeds sneller mijn weg huiswaarts weet,  nadat een onvoorziene aanraking mij zo  plotseling ergens blind in het donkere land van TOEN heeft gedropt…

Toen ik me dat realiseerde kreeg ik er weer zin in!

43 SCHEMA’S VAN EEN HYPER-TYPE

JUBELTENEN

Het moge inmiddels wel duidelijk zijn, dat ik een nogal gevoelig meisje was voor alle indrukken om mij heen en dat ik misschien net iets te veel dingen uitermate persoonlijk, zeer letterlijk  en wel extreem serieus nam. Hierdoor hadden kleine dingen soms grote gevolgen:

Ik zat op een nieuwe school. Hier was het blijkbaar van belang om er netjes en schoon uit te zien, want we kregen het vak ‘uiterlijke verzorging’. In deze les leerde je hoe je goed voor jezelf moest zorgen.

De eerste les zou ons een spannende verassing te wachten staan. Er kwam een echte mondhygiëniste bij ons op school. Ze zou ons gaan leren goed te poetsen. Ze verscheen na de ochtendkring en deelde rode tabletjes uit. Daar moest je even lekker op kauwen en dan mocht je de rest doorslikken. Daarna nam iedereen een slokje van het bekertje water dat je kreeg. Wat was de bedoeling hiervan? Het meisje dat naast me zat begon hard te lachen. Mijn hele mond was rood! Ik kon het zelf niet zien, maar vond het ook wel grappig. Ik deed alsof ik Dracula was, met bijtgebaren en enge geluiden. Blijkbaar trok ik zo de aandacht en we hadden grote lol.

Toen deelde ze spiegeltjes rond en mocht je je eigen mond bekijken. Wauw, mijn hele mond was inderdaad knalrood! Vooral op en om mijn tanden en aan de randjes van mijn tandvlees. Het zag er een beetje vies uit eigenlijk. Het smaakte wel best lekker. Langzaam merkte ik, dat de aandacht volledig op mij gevestigd werd. Iedereen moest heel hard lachen en begon ook mijn kant uit te wijzen. Ik had de roodste mond van de hele klas, dus ik had mijn tanden niet gepoetst! In één keer was de lol eraf. Ik voelde mij beschaamd, vies en boos. Terwijl ik probeerde onzichtbaar te worden, legde deze onaardige mevrouw op gemaakt vriendelijke toon uit, hoe belangrijk het wel niet was om elke dag een paar keer te poetsen. ‘Want anders krijg je gaatjes’

Ja… DUH!

Trouwens gelul dacht ik, want ik poets lang niet iedere dag en ik heb er nog NUL. Maar dat heb ik haar niet meer verteld, want ik was inmiddels gelukkig onzichtbaar geworden.

De toon was gezet. Ik besefte mij nu dat ik blijkbaar niet goed voor mezelf zorgde. Was dat vies? Vanaf dat moment heb ik alles wat er gezegd werd tijdens deze lessen als een spons opgenomen. Dit zou mij misschien nog kunnen redden van de ondergang.

Dus:

Iedere dag een schone onderbroek aan, je haren wassen met shampoo, een broek gemiddeld na 2 of 3 dagen in de was, haren regelmatig kammen en controleren op luis of neet, jezelf iedere dag wassen met zeep, vooral de edele delen, je nagels netjes knippen, of de zwarte randjes eronderuit halen, iedere week schone gymkleren in je tas, fris beddengoed, op tijd naar bed, goed afdrogen tussen je tenen anders krijg je daar schimmel, ontbijten met de schijf van vijf, 3 sneetjes brood mee naar school, oren schoonmaken, maar niet te diep en ook de prut niet naar binnen duwen, slaapzand uit je ogen halen, geen snot aan je mouw vegen en je handen wassen na poepen en plassen en voor het eten.

Of was het nou voor het poepen en na het eten? Hahaha!

Vanaf nu werd ik een Pietje precies in een huishouden van jan steen. En ik kan je vertellen; dat werd een hele klus!

(onderstaande is een samenraapsel aan gebeurtenissen, die autobiografisch zijn, maar ik heb de tijd ingedikt en verschillende dingen uit de context naast elkaar gezet om zodoende het thema uit te vergroten)

Dit leverde een hoop geregel en een overvolle agenda op in mijn hoofd:

Ik had een rode en een witte broek. De rode broek had een drukknoop. Deze wilde ik aan op de dagen dat we ‘spelkring’ hadden. Dan deden we vaak ‘Berenclub’, waarin je elkaar moest uitdagen met trucjes en kunstjes. Ik kon door mijn buik aan te spannen de knoop op mijn navel laten openspringen en als ik dan mijn handen ervoor hield alsof ik de botjes van mijn vingers liet knakken, dan dacht iedereen dat dit echt was en niemand (behalve Omar) kon dat! De witte broek was dan voor de dagen tot de rode weer uit de was was. Maar een witte broek wordt snel vies! Hiervoor had ik een oplossing: Schoensmeer. Mijn stiefmoeder had zo’n tube met wit. Als je die op een vlek smeerde, dan zag je hem bijna niet meer. Zonder vragen heb ik deze tube uit de doos gepakt. Hierdoor kon ik de witte broek echter niet aan in de weekenden dat we bij mijn vader waren, want dan zou ik hierop misschien betrapt worden… Dus moest mijn rode broek op tijd schoon. Dat leverde problemen op met de was. Als oplossing voor dit probleem, moest ik er dus voor zorgen dat ik de avond vóór het weekend zelf mijn rode broek zou wassen. Ik deed dit met afwasmiddel. Dit was altijd voor handen en het schuimde lekker veel.

Ik heb jubeltenen. Vooral links. Hierdoor ontstaan er gaten op de plek waar je grote tenen zitten. Vooral als je gympies met stof op de neus hebt. Met name wanneer je vaak en veel voetbalt. De voet waarmee je het meest schopt heeft het grootste gat. Dit zag er vast onverzorgd uit. Mijn oplossing: naaien.  Mijn oma had mij ooit laten zien hoe je sokken moest stoppen en dat heb ik gedaan. Met naald en draad ging ik mijn schoeisel te lijf. Het was nog een hele klus om dat netjes voor elkaar te krijgen. Zouden mensen kunnen zien, dat ik dat zelf gedaan had? Ik hoopte dat het niemand opviel.

Of zou het door mijn teennagels komen, die misschien te lang waren? Normaal gesproken knipte mijn vader deze, als we bij hem waren. Nu ging ik ook zelf grondig aan de slag. Ik herinner mij nog dat ik ze blijkbaar zo extreem kort knipte, dat ik last kreeg van pijnlijk ingegroeide teennagels. Dat was in ieder geval waar mijn Taekwondo leraar mij streng op wees, toen hij mijn beschermers omdeed. Oeps.

Wij hadden thuis geen tandpasta, maar wel een klein glazen potje met een zwart goedje. Het smaakte smerig. Naar een combinatie van zeewier en zout! Nu ik echt elke dag mijn tanden ging poetsen was dit niet te hachelen. Ik nam dus, in een ongezien moment, de tube tandpasta uit de badkamer van mijn vriendinnetje mee.

Ik begon op dreef te raken. Wat wij thuis niet hadden, moest ik zien te krijgen. Ik was op missie.

Onderbroeken en sokken vormden een probleem, want daar had ik er niet genoeg van om elke dag van de week te verversen. Er zat maar één ding op. ‘gratis halen’ bij Hans-Textiel. Dus dat deed ik. De eerste keer was dodelijk eng. Volgens mij heb ik wel 20 minuten tussen de schappen door gehannest, om uit te vogelen wat nu precies het juiste moment was om toe te slaan. Je eigen ‘durf’ en het ‘niet kijken’ van de winkelbediende moeten namelijk precies samen op één moment tegelijk vallen. Dat is verdomde lastig! Toen de onderbroeken na veel wikken en wegen waren gelukt, ging ik terug voor meer. Want wat ik niet had, kon ik blijkbaar ook zo verkrijgen! Dit luidde het begin van mijn ‘dieventochten’ in. En ik had een truc: In mijn rode broek zaten namelijk subtiele knievakken, tot helemaal onderaan de pijp. Dit vormde een soort van geheime beengangen, waar je best makkelijk zomaar iets in kon laten glijden zonder een kip die dit doorhad. Niemand zou toch tegen mij zeggen: ‘Zo meisje, maak jij de onderkant van je broekspijpen maar eens eventjes leeg’. Dit was vanaf nu mijn ‘jatbroek’. Een paar jaar later en een berg aan nagellakjes, make-up, sieraden, geurtjes, maar ook vele niet-te-betalen-kledingstukken rijker,  ben ik een keer, samen met mijn sussie, genadeloos in de kraag gegrepen bij de V&D in Arnhem. Sinds dien durfde ik niet meer zo goed.

Zo kreeg ik de meeste dingen voor buitenshuis gedekt. Alleen binnen was een probleem. Daar bleef het rommelig en onverzorgd. Er waren geen dekbedhoezen en onze was stonk. Volgens mij waste mijn moeder heel voordelig en gezond met groene zeep ofzo. Andere kinderen roken altijd naar wasmiddel als ze langs je liepen. Dat wilde ik ook. Ik heb geprobeerd om dit effect na te bootsen met zeep, maar dat werkt niet. De fles met Timotei, die ik mijn moeders kamer ontdekte, werkte als een tierelier! Maar het werd mij niet in dank afgenomen, toen deze ineens leeg bleek.

Ik raakte geobsedeerd door geuren. Vanuit de angst om vies gevonden te worden en te stinken, wilde ik dat alles lekker zou ruiken. Want dan was het blijkbaar fris en schoon? Zou dit het begin zijn geweest van een lichte dwangneurose?

Ik heb het vermoeden dat hier ook mijn bizarre verzameling aan lege flessen schoonmaakmiddel is ontstaan. Ik was er uren mee in de weer. Dreft, Jif, Allesreiniger, Glassex, shampoo, WC-eend, klok-sop. Alle flessen moesten onder zacht stromend water worden schoongespoeld, totdat er geen schuim meer uit kwam. En dat duurt echt eeuwig, kan ik je vertellen! Ook moesten, indien mogelijk, de etiketten eraf geweekt en losgepeuterd worden. Sommige lijm hield hardnekkig vast, dus dan was het krabben geblazen met een aardappelschilmesje. En als ik uiteindelijk weer een fles klaar had, mocht deze als trofee op de onderste plank van mijn stellingkast. Waarom? Om naar te kijken. Ik kon daar van genieten. Ik kon ook met ogen dicht aan elke fles nog ruiken en herkennen wat erin gezeten had. Ik dacht wel eens: Is dit misschien vreemd?

Deze lessen ‘uiterlijke verzorging’ hadden bij mij blijkbaar een zeer gevoelige snaar geraakt en zijn mij zeker niet in de kouwe kleren gaan zitten.

42 SUSSEN OF VERBROEDEREN?

sussen of verbroederen

DISCLAIMER

Al mijn verhalen zijn volkomen gebaseerd op mijn eigen perceptie van de werkelijkheid, niet op de waarheid. Ik sluit ook niet uit dat mijn fantasie met details op de loop is gegaan door de jaren heen, of dat mijn kinderhoofd bepaalde zaken verdraaid heeft. Het gaat mij niet om het hebben of halen van het allesomvattende gelijk. Wel wil ik ruimte en bestaansrecht geven aan mijn eigen beleving.  Dit is de betekenis die ik, vanuit mijn ervaring, aan de dingen gegeven heb, vanuit mijn persoonlijke invalshoek en naar eigen vermogen. Het is immers mijn beleving die mijn ervaring kleurt, niet de verkeerd uitgepakte goed bedoelde intentie van de ander. De waarheid beweegt zich altijd ergens in het midden, tussen alle polen in. Dit boek kent in potentie dus eigenlijk minimaal 359 maal de hoeveelheid aan hoofdstukken dan er in de inhoudsopgave benoemd staan. Namelijk minstens één  extra, vanuit iedere graad van de gehele cirkel. Vanuit alle perspectieven en in alle kleurschakeringen die je je maar kunt voorstellen onder de zon. Ik claim geen andere waarheid in pacht te hebben, dan die van mezelf. En dan nog: deze ‘waarheid’ blijkt ook steeds weer veranderlijk en onderhevig aan mijn eigen groei en bewustzijn op de dingen. De verhalen nemen mee, in een onderzoek naar de mogelijkheid tot zingeving, groei en misschien zelfs vergeving. Het is een zoektocht naar ruimte. Vanuit de aangeboren drang om vrijuit te kunnen mogen bewegen.

 

Bij deze nodig ik iedereen die zich hiertoe aangesproken voelt uit, om zijn eigen perceptie op de gebeurtenissen te verwoorden. Ook dát verhaal zullen mensen kunnen begrijpen vanuit beschreven perspectief en standpunt. Wat heb je op je lever? Wat zit je dwars? Wat krijg je niet verteerd van binnen? Het is niet mijn doel om andermans waarheid met die van mij te ontkennen. Wel neem ik ook de ruimte voor mijn eigen verhaal, die ik tot nu toe steeds niet leek te kunnen vinden of innemen.

KUNNEN TWEE VERSCHILLENDE DINGEN BESTAANSRECHT GENIETEN NAAST ELKAAR?

Ik ervaar hierin een hevige kortsluiting tussen de generaties die elkaar opvolgen. Als twee  pluspolen die zo sterk geladen zijn, dat bij iedere poging tot naderen, direct de vonken over en weer springen. De ander niet kunnen horen, omdat je eigen nood zo hoog is, om eindelijk gehoord en begrepen te willen worden door de ander. Geen ruimte ervaren.

Wat maakt de verhalen zo beladen? Naar mijn idee de ingehouden emoties, door geheimen, taboe, schuld, schaamte, veroordeling, loyaliteit, ontkenning, pijn en een daarmee in stand gehouden slachtofferschap.

Vanuit ons eigen leed, kunnen wij de ander niet horen, en zijn wij geneigd om de boel te sussen. Dan is er ten minste weer rust in de tent, maar hoeven ook de relatief ‘veilige’ rollen die we spelen niet herverdeeld of opnieuw bekeken te worden. Iedereen claimt het slachtoffer te zijn geweest, dus niemand wil ineens de rol van dader toebedeeld krijgen.

STRIJD OM DE PROTAGONIST

Wikipedia zegt:

…”In de klassieke strijd tussen goed en kwaad is de protagonist gewoonlijk de ‘held’ van het verhaal en de antagonist is, of vertegenwoordigt, de kwade genius of de ‘slechterik’.

De antagonist van het verhaal probeert het de protagonist moeilijker, of onmogelijk, te maken zijn doel te bereiken. De verteller of scenarist zal over het algemeen bij de lezer of kijker sympathie trachten te wekken voor de ‘held’ en het tegendeel voor de tegenstander. Het kan echter voorkomen dat de lezer of toeschouwer hiermee op het verkeerde been wordt gezet en de sympathie (geleidelijk of plotseling) verschuift. Dit soort verrassende plots wordt soms toegepast in thrillers en detectiveverhalen.”…

 

Dit is wat mij precies gebeurt, doordat ik mijn verhalen deel.  Ik laat hiermee zien dat ik slachtoffer was van de situatie, maar tegelijkertijd ben ik daarmee meteen weer dader, omdat het de ander zijn felbegeerde slachtofferschap zogenaamd heeft ontnomen.  Hoe haal ik het inderdaad in mijn botte kop, om de ander zo als ‘slechterik’ af te schilderen!?!  Iedere protagonist heeft zijn antagonist nodig, maar deze wil door niemand gespeeld worden.

Op het moment dat ik uiting geef aan mijn vermeende slachtofferschap, blijk ik opeens zelf ook dader! Dit dilemma wordt vaak te lijf gegaan met een ‘sussen’.  Een tot stilte manen, een in een roes wiegen (zijn verslavingen handige hulpmiddel bij) een de kop in drukken van de beleving, een van bovenaf dirigeren, een manipuleren, jouw ding willen opleggen. Dit doen we bij de ander, maar vooral ook bij onszelf. Dit is wat velen van ons er natuurlijk ook al met de paplepel ingegoten hebben gekregen.

Lost dit echter echt iets op? Naar mijn idee niet. Vanaf buiten gezien wel. In gewenst gedrag misschien. Het plaatje klopt weer en we kunnen weer even ongestoord verder. De tranen zijn geveegd, het doekje voor het bloeden is gegeven, de pleister is geplakt en de rust lijkt wedergekeerd.  Zo heb ik mezelf jaren lang geprobeerd te sussen, te verdoven, iets anders wijs te maken, door mijn kop in het zand te steken, een bord voor mijn kop te plaatsen, een schop onder mijn reet te geven en vooral veel te wijzen naar anderen. Met veel hoopvolle inzichten, maar vooralsnog met weinig resultaat.

Het advies vanuit deze tactiek luidt dan ook: ‘SSSST. Wie denk jij wel niet dat je bent om de vuile was buiten te hangen? Je brengt een ander ten schande! Stil nou maar. Kan je niet gewoon vergeven? Laat het toch eens met rust joh. Ben je daar nu nog steeds niet overheen? Zand erover!’.

En precies dezelfde strijd speelt zich af binnen in mij. Dit lijkt me af en toe nagenoeg schizofreen te maken. En wát er ook om mij heen gezegd wordt, het gooit altijd olie op het vuurtje van één van de twee ruzie makende partijen in mij! Het lijkt wel de eeuwige strijd om de glanzende hoofdrol, de vertolking van de held in het stuk.

Ik zie perspectief in RUIMTE. Een intentieverklaring, waarin ik bestaansrecht verleen aan iedere invalshoek op elke gebeurtenis. Ook ik ben zowel de Protagonist als de Antagonist tegelijkertijd. En dat deze naast elkaar kunnen en mogen bestaan. Ik zeg dus niet: ‘luister alleen naar het één, want dát is de waarheid!’ Ik zeg daarmee dat alles en iedereen zijn eigen waarheid in pacht heeft. Het is aan onszelf om hierin kleur te mogen bekennen en te onderzoeken of we op die manier naast elkaar kunnen staan. (dus ook binnenin onszelf)

Dat zijn prachtige woorden, dat vind ik zelf ten minste… Maar wat mij betreft een pittige opgave om ook daadwerkelijk te gaan leven!

Mijn ervaring is, dat zodra ik mij gehoord voel in mijn beleving, dat ik direct ook ruimte ervaar om naar andermans beleving te luisteren en daar ruimte voor te hebben. Dat is erg mooi, wanneer ik zelf als eerste aan de beurt ben. Maar wat nou, wanneer ik pas als allerlaatste van de hele kring, na alle andere 359 graden van de cirkel, mijn verhaal mag doen? AAAAHHH!  Ik heb hier al last van bij een introductie rondje tijdens een cursus bloemschikken ofzo. Iedereen doet zijn verhaaltje, maar ik ben als middelste en kan eigenlijk pas echt goed naar de ander luisteren, zodra ik mijn eigen ei heb gelegd.

ZOU DAT REPTIELENBREIN EIGEN ZIJN TROUWENS?

OF HEEFT MENEER KALVIJN HIER ZIJN VETTE VINGER IN DE PAP?

WANT: ‘Wie vraagt wordt overgeslagen he’.

Voor we het weten, zitten we allemaal braaf en gefrustreerd op ons zuur verdiende loon, de glanzende hoofdrol te wachten, tot de dood ons eindelijk het enige verlossende antwoord geeft?

 

VERBROEDERING

Daar gaat het denk ik over. Ruimte voor andermans verhaal, waarheid, perceptie en invalshoek vinden.  Hand in hand kunnen gaan. Maar hoe doe ik dat? Aangezien ik niet in de hand heb, wat de ander wel of niet zal doen, kan ik enkel mijn eigen deel voor rekening nemen. Eerst binnen mijzelf ruimte voor mijn eigen verhaal, waarheid en beleving creëren. (vind ik al lastig genoeg!) Mijzelf van daaruit kunnen durven mededelen, en als het even kan, nog voordat ik hier de pijp uit ga!

 

Welk verhaal heb jij?