41 WILDGROEI

wildgroei

DE DAG DAT WE CHILI CON CARNE KREGEN

Vanuit mijn kamer, die aan de keuken grensde. hoorde ik al vloekend en tierend een rommelen en smijten met potten en pannen. Ik hield mij stilletjes op aan mijn bureau. Niet al te veel later ging mijn kamerdeur, zonder kloppen vooraf, een klein stukje open. Door de kier verscheen eerst een elleboog, toen een arm en een hand, waarin een bord met daarop een hoopje dampende massa. Dit geheel werd met een draaibeweging vanuit de losse pols mijn kamer in gefrisbeed:

ZOEF-PATS-KRAK-FLETSCH!

Met de mededeling:

‘HIER IS JE VRETEN’

Ik zat erbij en ik keek ernaar. Als in slow-motion nam ik het waar. Daar lag het. Op de grond. En ik keek er naar. Het bord was gebroken, in een stuk of vier, en er lag een roodbruin prutje op. Ik denk chili-con-carne. Met daaronder nog wat uitgedroogde resten van iets wittigs. Dat was waarschijnlijk een vies bord van gisteren, omdat mijn broer en ik de afwas niet hadden gedaan. Als ‘straf’ blijkbaar…?

Dit soort momenten begonnen een ketting te rijgen, waarop ik, hoorbaar voor mijzelf, dacht: ‘Nu begin ik het echt zat te worden, DIT. Ik moet hier weg’. Wat dat ‘DIT’ precies inhield kon ik toen nog niet echt benoemen, maar het voelde zo. Het voelde alsof er iets kapot aan het gaan was van binnen. Alsof het niet meer terug kon. Ik was toen nog geen tien. Ik ben in de periode die hierop volgde steeds vaker bij mijn vriendinnetje gaan spelen. Van spelen kwam eten, van eten kwam slapen en van slapen kwam een zo goed als wonen. Zonder statement, zonder een ‘opstandig weglopen van huis’. Ik heb op mijn manier zo organisch mogelijk mijn heil elders gezocht. En ook gevonden gelukkig.

Als ik daar nu op terug kijk, vind ik het wonderbaarlijk, hoe ik als klein mens mijn vreugde simpelweg achterna ben gegaan. Zonder inhoudelijk overleg, zonder hulpverleners, geen toestanden of herrie. Ik ben gewoon uiterst subtiel en in feite zo goed als ongemerkt, inofficieel, part-time vertrokken. In dit statige pand aan de Zomerluststraat heb ik samen met mijn sussie de mooiste avonturen beleefd. Ook aan mijn zogenaamde pleegmoeder, koester ik spannende, gekke, maffe, plezierige en warme herinneringen. Zij is overleden in 2007. Hier zou ik zomaar een ander boek over kunnen schrijven. J

Ik had er immers ook nog weer een dubbelrol bij.

De enorme kracht van de spruitende energie. Als de natuur van een bloem die zich tot de zon wendt. Als ontkiemende zaden die de oppervlakte altijd weer terug vinden. Ongeacht wat ze bedekt of zelfs dreigt te verstikken. Ze volgen onherroepelijk hun volkomen natuurlijke gang. Zo voelt dat voor mij ook.

Ik heb zeker momenten van radeloosheid en van ‘een willen opgeven’ gekend, maar steeds kwam dit stuwen weer terug. Het is een niet te stuiten bron aan levensenergie en groeilust denk ik.

Net zoals de paardenbloem, die zich in alle rust maar onverstoorbaar een weg door het dikste asfalt baant. Niet op spierkracht, maar op waar ruimte is voor expansie. Stapje voor stapje zeer gestaag. Om uiteindelijk aan de oppervlakte te verschijnen, haar getande bladeren uit te spreiden en haar prachtige koppen te tonen aan de stralende zon.

ONKRUID VERGAAT NIET

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s