24 EEN OORSPRONG VAN OORLOG

moederborst

Ik ben niet goed aan- of afgehecht.

Ik ben een vroeggeboorte en bracht zodoende de eerste 6 weken van mijn leven in volledige ‘alleenheid’ door. Dit was hoe dat ging in die tijd. In een couveuse, zonder menselijk contact. In isolatie. Geen borstvoeding, niet aanraken, geen Kangarooing of wat dan ook. Mijn vader is de eerste paar dagen nog trouw komen kijken, door het raampje van de afdeling, maar vond dit zo frustrerend, dat hij het niet langer volhield. Ik lag op een couveuse zaal, ergens op de 4e rij van achter in het derde kasje van links bij wijze van spreken. Hij kon vanuit zijn positie ergens in de verte een glazen hokje met twee ronde handgaten zien staan, waarin zijn vermeende  dochter lag te wachten tot ze sterk genoeg zou zijn om het leven aan te kunnen. Mijn moeder lag ondertussen op de intensive-care te vechten voor haar eigen bestaan. Ze werd ook later niet gestimuleerd om naar mij toe te gaan, want zij moest immers zelf herstellen en ik moest vooral in alle rust en stilte ‘rijpen’ totdat ik de wereld in mocht. Dit was een pittige start en het heeft de binding met mijn moeder denk ik behoorlijk verknald.

Toen ik eindelijk ’geboren’ kon worden en naar huis mocht, was dit blijkbaar geen glorieuze ervaring. Mijn moeder zat in een postnatale depressie (bleek achteraf) en wist gevoelsmatig niet goed wat ze met mij aan moest. Ze vertelde mij later, dat ik van haar de fles niet moest. Dat ik bij anderen gewoon dronk, maar bij haar alles weer uitspuugde. Ze voelde zich door mij afgewezen. Onze binding is nooit echt tot stand gekomen wat mij betreft.

Ik herinner me ons veel later. Ik was een jaar of 8, Mijn moeder stond naakt in de badkamer na het douchen, terwijl ze mij vertelde en liet zien hoe lelijk haar buik wel niet was, vanwege de verticale nood keizersnede van mijn geboorte. Ook deed ze uit de doeken dat ze nooit borstvoeding had kunnen geven vanwege haar traumatische geboorte van mij en de belabberde manier waarop ze was behandeld in het ziekenhuis. Ik nam dit als kind allemaal volkomen persoonlijk, woord voor woord letterlijk en bloedje serieus natuurlijk. Zo doen kinderen dat blijkbaar, las ik later in de boeken.

Ik vroeg mijn moeder naar haar borst, gewoon eventjes voor een nipje, om te voelen hoe dat was. Waarschijnlijk heel normaal voor kinderen op die leeftijd. Maar toen ik merkte dat ze het wel een soort van prettig leek te vinden, durfde ik eigenlijk niet meer te stoppen, bang dat ze zich afgewezen zou voelen en mij vervolgens zou verstoten. Zo heb ik een aantal keren uit haar borst gedronken. Terugkijkend op deze herinnering weet ik echt zeker dat haar intentie niets dan goed was. Ik vermoedde zelfs toen al, dat ze het ook nog eens speciaal voor mij had gedaan, om mij alsnog een welkom gevoel te geven. Om onze kapotte verbinding te herstellen. En ik heb haar hiervoor oprecht willen belonen met mijn gedrag. Dat maakt het tevens zo pijnlijk. Want ik voel me daar nog liggen. Volledig gevangen in de situatie, met dat ‘ding’ in mijn mond en de kenmerkende geur van haar huid… Ik lag daar verkrampt en wanhopig, in de poging haar slechte gevoelens over mijn traumatische geboorte te ‘fixen’. En tegelijkertijd haar poging tot verzoening niet te willen afwijzen. En het leek wel uren te duren, voordat het eindelijk stopte en ik weer vrijuit kon gaan en ademhalen! Zou zij ook gevoeld hebben, dat ik voelde dat zij niet voelde wat ik ook niet voelde… ?

Dit is zo dubbel: Ik had natuurlijk NEE kunnen zeggen, of gewoon gestopt kunnen zijn, maar ik deed het doelbewust tegen mijn eigen zin in. In de hoop haar zo gelukkig te maken, of in ieder geval met terugwerkende kracht wat minder slecht te laten voelen over mijn geboorte en over het niet kunnen geven van borstvoeding aan haar eigen  kind. Het gevoel iets goed te maken door een ‘niet echt eerlijk’ zijn… Nog steeds voel ik knijpende schaamte en schuld hierover. Het spijt me moeder, dat ik dit zo gedaan heb. Dat ik net-deed-alsof. In de hoop hiermee iets te repareren, heb ik hoogstwaarschijnlijk enkel nog meer schade aangericht. Het is iets uitermate teers, waarover wij mensen daarom veelal menen maar beter te leren zwijgen, totdat we het veilig meenemen in ons graf misschien…?

Ik denk dat deze ervaring pijnlijk helder laat zien hoe precair een beschadigde verbinding kan zijn. Hoe een hechting aan een zijden draadje kan hangen. Iets wat kapot is wel willen repareren, maar hierin geen ‘samen’ lijken te vinden. Als er ook maar iets verkeerd, of net iets anders loopt dan één van de twee partijen verwacht of verlangt, lijken  beide partijen wel weer compleet bij af te zijn. Of misschien zelfs nog wel verder voor de aanvankelijke uitgangspositie, maar nu met een opgelopen blessure. Alsof de opening naar elkaar steeds maar net niet tegelijkertijd aanwezig is. De ene keer voel je dat de ander ontvankelijk is, maar deel je een pets uit ter eigen verdediging. Of je ‘faked’ het voor de ander, maar bent zelf gevoelsmatig niet present. Hierdoor ontstaat er geen wederkerigheid en gaat er niks stromen. De andere keer sta jezelf open, maar loop je tegen andermans blinde wand van zelfprotectie op. Zo doen mijn moeder en ik dit al vanaf dat ik me kan herinneren. We zijn hierdoor allebei gekwetst en lijken elkaar steeds maar niet te kunnen geven wat we zelf zo hard nodig hebben.

Naarmate we samen ouder worden en ons vlees wat taaier geslagen is, begint dit patroon zuur te draaien en wordt het langzaam maar zeker bittere koek. Gaandeweg zijn we op steeds grotere afstand van de aanvankelijke startpositie beland en beginnen de in heftigheid toenemende blessures ons langzaamaan parten te spelen.

En in eenzaamheid poetsen wij trots onze schilden weer op, voor iedere pijnlijke mislukking in het verschiet.

Blijkbaar verwachten we iets van elkaar, wat we allebei niet in staat zijn zelf aan de ander (en aan onszelf) te geven.

Of misgunnen wij elkaar vanuit eigen gevoel van behoeftigheid, schaarste en gebrek?

Het vraagt om een verzachting, om een bepaalde mildheid, om een samen laten zakken van de verdediging, een laten varen van de (tegen)aanval. En dit roept een volwaardige doodsangst bij mij op. Een weigering ook. Iets waarin ik me zo vaak en diep gekwetst voel, waardoor ik mij niet wil geven aan de ander en de ander niet toesta deze pijn nogmaals bij mij te veroorzaken. En dat is hoogstwaarschijnlijk wederzijds.

De vergelijking is misschien wat suf, maar het doet mij denken aan een uit de hand gelopen burenruzie. Je dobbert op een goed moment allebei zo ver op open zee en je hebt elkaar zo veel aangedaan, dat je de boel niet meer terug lijkt te kunnen draaien. Je kan enkel nog doorbijten, volhouden en  met je neus in de wind en vol trots stoïcijns koers houden.

Gevangen in het elkaar niet vast kunnen houden, maar ook niet los kunnen laten.

Is dit een patstelling?

Kunnen wij hier nog uitkomen?

Dit is blijkbaar wat verbindingspijn met mij doet, wanneer ik er niet naar wil of durf te kijken. Wanneer ik de beleving hiervan niet wil of kan aanvaarden voor wat het is. Soms ook gewoon, omdat het te heftig was in het moment. Wanneer het traumatisch was. Hierdoor wordt het opgeslagen en ingekapseld, om vervolgens steeds weer pijnlijk aangeraakt en negatief bevestigd te worden.

Van moederborst, naar burenruzie…

Maar hoe zit dat op grotere schaal eigenlijk?

De conflicten tussen Noord en Zuid, Oost en West? Links en rechts? Rusland versus Amerika? De Chineze muur? De Katholieken en de Protestanten in Noord-Ierland?

Waar begon deze hechtingsproblematiek? Een dualiteit vanwege de ontkenning van verbindingspijnen…

Ontkiemt zich hieruit wellicht de potentialiteit voor oorlog?

Lof

Willemijntenvelden.com

One thought on “24 EEN OORSPRONG VAN OORLOG”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s